Joost Conijn

Het voormalige Oostblok doorreizen met een op hout gestookte auto, of naar Kenia vliegen met een zelf gebouwd toestel, niets lijkt onmogelijk voor Joost Conijn. In zijn werk tart hij de grenzen tussen kunst en technologie, maar dat is niet waar het echt om gaat. Als bestemming voor zijn reizen kiest Joost plekken waar anderen niet heen gaan, die moeilijk te bereiken zijn. De rijkdom van het reizen zit voor hem in de onvoorziene gebeurtenissen (voor de op hout gestookte auto heb je immers de hulp van bewoners nodig van de dorpen die je aandoet). Het is dit avontuur en de ontmoetingen met anderen die eruit voortkomen, die de kern vormen van zijn werk. Want wat Joost het meest lijkt te inspireren zijn mensen, en zijn contact met hen.

De Biënnale toont naast zijn oranje vliegtuig, de film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa en Dzoel-kifl uit 2004. Ruim een jaar lang volgde hij zijn buurkinderen op een gekraakt haventerrein in Amsterdam-West. Ze groeien daar op in totale vrijheid. We zien hen ongehinderd crossen met brommers, snoep jatten bij de benzinepomp en ravotten in het uitgestrekte havengebied totdat het donker wordt. De film is daarmee een meeslepende lofzang op de ‘homo ludens’ (spelende mens) en het verzet tegen de inkapseling van het individu door de maatschappij. Tegelijkertijd werpt het vragen op over de houdbaarheid van deze alternatieve idealen.

Vliegtuig, 2000.

Siddiega, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestada, Hawwa en Dzoel-kifi, video still, 2004.